Wat is het?
Sinds 1 juli 2009 zijn per gemeente alle adressen en objecten vastgelegd in de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) . De BAG bestaat uit twee registraties: een adressenregistratie en een gebouwenregistratie. De Basis Gebouwen Registratie (BGR) kent 4 objecttypen: standplaats, ligplaats, verblijfsobject en pand. In de BGR worden panden en verblijfsobjecten onafhankelijk van elkaar afgebakend en geregistreerd.
Voor welke instellingen en bedrijven?
Gemeenten, provincies, ministeries, waterschappen en ingenieursbureaus.
Wanneer is het beschikbaar?
De plug-in voor BAG - LV is beschikbaar.
Lees verder….
Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG): De Basisregistratie Adressen registreert alle woonplaatsen, straatnamen en nummeraanduidingen. De Basisregistratie Gebouwen bevat gegevens over panden, verblijfsobjecten en (semi-) permanente standplaatsen en ligplaatsen, met daaraan gekoppeld de coördinaten van de locatie. Deze twee basisregistraties zijn aan elkaar gekoppeld en vormen zo de Basisregistratie Adressen en Gebouwen. Beiden registraties zijn gemeentelijke registraties en de gegevens worden aan een centrale database gekoppeld die door het Kadaster wordt beheerd. Vanuit de landelijke voorziening BAG levert het Kadaster BAG-producten en -diensten aan alle afnemers. Medio 2011 zijn overheden verplicht gesteld gebruik te maken van BAG bij uitoefening van hun publiekrechtelijke taken. De BAG is relevant voor de erfgoedsector omdat op basis van deze administratie automatisch coördinaten of postcodes gegenereerd kunnen worden op basis van bijvoorbeeld een huisadres of straatnaam. Zo kan de geo-metadatering van objecten op automatische wijze geoptimaliseerd worden.
De landelijke voorziening voor de BAG wordt naar de bronhouders toe ontsloten via een koppelvlak. Dit koppelvlak biedt de mogelijkheid voor een op berichtenuitwisseling gebaseerde integratie met de gemeentelijke BAG systemen. Bij het definiëren van het koppelklak is gebruik gemaakt van open standaarden en bekende technologieën. Een voorwaarde voor de BAG koppelvlak was dat deze relatief lage eisen stelt aan de infrastructuur van de berichtenuitwisseling en aan de inrichting van het systeem aan de gemeentelijke kant . Op deze manier kan een individuele gemeente méér en grotere invloed hebben op gewenste vorm van invoering en de zwaarte van de uiteindelijke oplossing. Een gemeente kan nu kiezen of het zijn gemeentelijke applicatie direct laat communiceren naar de landelijke voorziening of dat het daarvoor een datadistributiesysteem voor gebruikt. Zoals geïllustreerd in het onderstaande figuur 1.
Figuur 1: Gemeentelijke stekker
In het bovenstaande diagram zien we dat een gemeentelijke “stekker” geïntegreerd kan zijn met de bestaande gemeentelijke basisregistratie voor adressen en gebouwen, maar dat hiervoor ook een aparte voorziening gekozen kan worden, die als intermediair kan optreden tussen de gemeentelijke systemen en de Landelijke Voorziening. Deze keuze is in lijn met de filosofie van laagdrempeligheid en keuzevrijheid, aan de gemeenten. Hiermee wordt bereikt dat gemeenten laagdrempelig gebruik kunnen maken van diensten die aansluiten bij de gemeentelijke processen en die benaderbaar zijn in bekende uitwisselingsformaten.
Om het koppelvlak voldoende te beschrijven is het nodig alle mogelijke aspecten van het koppelvlak inzichtelijk te maken, zodat het document de onderstaande vragen kan beantwoorden: - Welke diensten levert de Landelijke Voorziening en op welke manier kan er van worden gebruik gemaakt?- Welke gegevens zijn er nodig voor het afnemen van diensten van de Landelijke Voorziening? - Op welke wijze verloopt het transport van de gegevens? Om deze vragen te beantwoorden helpt het om het koppelvlak onder te verdelen in verschillende gebieden die als lagen op elkaar rusten. Alleen bij gehele implementatie van deze lagen zal succesvolle aansluiting op de Landelijke Voorziening mogelijk zijn. Dit lagenmodel kan als volgt worden weergegeven.
De lagen zijn:
1. Transportlaag: Dit is de technische laag waarover alle communicatie gaat. De transportlaag is gebaseerd op algemene (open) internet standaarden en is niet BAG-LV specifiek.
2. Berichtenlaag: Hierin wordt de berichtendefinitie uitgewerkt.
3. Interactielaag: Deze laag beschrijft de diensten die de LV biedt en hoe deze gebruikt kunnen worden door de gemeenten en hoe er omgegaan moet worden met uitzonderingssituaties als foutmeldingen.
Voorbeelden van toepassingen:
EXQTE levert u de plug-in om gegevens uit verschillende beheerpakketten samen te voegen in 1 centraal bestand. Om gebruik te kunnen maken van de BAG–LV plug-in moet u in het bezit zijn van FME. Hoe werkt de BAG-LV plug-in voor FME: Door gebruik te maken van de Workbench (FME) bent u instaat de BAG gerelateerde (applicatie) data te importeren in de Workbench. De FME Workbench bevat een verzameling transformers die elk een bepaalde actie uitvoeren op de data die door de transformer stromen. Door deze transformers te combineren in een stroomschema-achtige omgeving (zie Afbeelding 1), is het mogelijk om complexe BAG-LV processen op te zetten.
Afbeelding 1
Deze processen (workbenches) kunnen uiteraard hergebruik worden. De visuele aanpak, samen met de drag-en-drop bewerking, maakt van de FME Workbench een fantastische ontwikkelomgeving voor de BAG-LV plug-in. Er worden koppelingen gemaakt door transformers van de gerelateerde (applicatie) data te verbinden met de features van de BAG-LV plug-in. Zo kunt u de conversie vice versa totstandbrengen (zie afbeelding 2).
Afbeelding 2
Het wordt dus steeds belangrijker dat data snel en op kostenefficiënte wijze kunnen worden uitgewisseld. FME ligt als een schil over GIS-database heen.